hero
DRPP
Small but without limits

Rechtsplegingsvergoeding

1. Op 21 april 2007 kwam er de “Wet betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten”. Wat betreft de invorderbaarheid van de erelonen en kosten van de advocaat van de in het gelijk gesteld partij bestond heel wat betwisting, en deze discussie werd meerdere keren beslecht door het Hof van Cassatie. Deze rechtsplegingsvergoeding is voortaan “een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van een advocaat van de in het gelijk gestelde partij”. Uit deze definitie kan men het volgende afleiden:

het geldt enkel voor advocatenkosten; voor andere kosten van verdediging (vb. deskundigen) blijft het gemeen recht gelden. Voor tarieven zie hierna ( punt 4)

2. Het vertrekpunt van de wet is dat in principe een basisbedrag wordt toegekend aan de in het gelijk gestelde partij. De rechter kan hiervan evenwel afwijken en beschikt dus over een zekere appreciatiebevoegdheid. Belangrijk hierbij is dat er enkel en alleen van het basisbedrag kan worden afgeweken indien dit uitdrukkelijk wordt verzocht door een partij. Er werden 4 limitatieve criteria weerhouden op grond van dewelke de rechter kan beslissen af te wijken van het basisbedrag, namelijk:

Indien de rechter één van voornoemde criteria zou toepassen, is hij evenwel gebonden aan een bijzondere motiveringsplicht.

3. Nieuw is ook dat de rechtsplegingsvergoeding niet enkel kan gevorderd worden in burgerlijke zaken, doch voortaan ook in strafzaken. In strafzaken moet evenwel rekening gehouden worden met de volgende nuances:

bij het Hof van Assisen dient geen rechtsplegingsvergoeding betaald te worden indien de burgerlijke partij in het ongelijk werd gesteld.

In strafzaken kan de rechter de in het ongelijk gestelde partij ambtshalve veroordelen tot betaling aan de in het gelijk gestelde partij het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.(1)

(1) Cass.21.2.2023, RABG 2023/3, p. 222